Een kerk geboren uit hoogwater
Tot ver in de negentiende eeuw waren de katholieke inwoners van Spijk aangewezen op de kerk in Lobith. Dat was lang niet altijd eenvoudig. Het kerkenpad langs de Oude Rijn was regelmatig onbegaanbaar en bij hoogwater raakte Spijk soms volledig geïsoleerd van de buitenwereld. Voor een kerkgang moesten inwoners dan letterlijk door weer en water. Toen de Lobithse kerk bovendien veel te klein werd voor het groeiende aantal gelovigen, ontstond het idee voor een eigen kerk in Spijk. Volgens pastoor Huser hadden de Spijkenaren behoefte aan een eigen herder “die in hun midden zou wonen”.
Een dorp bouwt zijn eigen kerk
In 1913 kreeg architect Herman Kroes uit Amersfoort opdracht een nieuwe kerk en pastorie te ontwerpen. Het resultaat was een sobere maar fraaie neo-romaanse kerk, volledig opgetrokken uit rode baksteen. De bouw werd met enthousiasme ontvangen door de inwoners van Spijk. Na eeuwen van afhankelijkheid kreeg het dorp eindelijk een eigen parochiekerk. De kerk werd gewijd aan de Heilige Gerardus Majella en groeide al snel uit tot het geestelijke middelpunt van het dorp.
Een intocht om nooit te vergeten
Op 14 januari 1914 vond de plechtige inwijding plaats die echter niet zonder organisatorische problemen verliep. Maar men had het kunnen weten, want voor de zoveelste keer was Spijk geïsoleerd door het hoge water. Besloten werd per bootje over te varen. Op Lobith en Tolkamer waren de vlaggen uitgestoken ter eren van de Spijkse pastoor. In twee rijtuigen elk met twee paarden bespannen reden H.H. Geestelijken en Kerk- en Armbesturen naar Tolkamer. Daar stapte men in een versierde boot, die door een motorbootje stroomopwaarts werd getrokken. Pastoor Van Groeningen zette voet op Spijkse grond nabij ‘Villa Copera’ waar hij werd opgewacht door zijn nieuwe parochianen. In de bittere kou werd door de steenabrikant Leo Wenzel Peters een ‘gloedvolle’ toespraak gehouden. Dertig ruiters zaten op hun uitgedoste paarden en zestig wielrijders stonden naast hun feestelijk versierde fietsen, terwijl een open koets met twee witte paarden gereed stond om de nieuwe pastroor plechtig zijn parochie binnen te voeren, vooraf gegaan door een bont gekleurde heraut in de persoon van Theodoor Corniele. “….en overal bij elke steenfabriek werd een mooie triumfboog opgemerkt, de eene nog schooner dan den ander, allen weergevend het groote verlangen der Spijksche parochianen naar hun eerste pastoor”.